Ferdinand Feldbrugge

 

MAGNIFICAT

 

Bij oude kathedralen in Europa is soms een schatkamer aanwezig waar gouden kelken en monstransen, zilveren kandelabers en andere kostbare schatten bewaard worden. Maar wij weten ook dat dat alles voorbij zal gaan, verloren zal raken, tot stof zal worden. Tot de echte schatkamer van de Kerk behoren eeuwenoude gebeden die van geslacht op geslacht zijn doorgegeven en die vaak, op muziek gezet, nog in de eredienst te horen zijn.

Onder deze schatten neemt de lofzang van Maria, het Magnificat, een ereplaats in als niet alleen de oudste, maar ook een waar Maria zelf aan het woord is. In de H. Schrift spreekt zij zelf maar zelden: enkele gebeurtenissen tijdens de jeugd van haar Zoon, bij de bruiloft te Kana. Zij is wel altijd aanwezig, maar op de achtergrond.

Het meeste dat over Maria wordt meegedeeld is te vinden in het eerste hoofdstuk van het evangelie van Lucas. Het kan haast niet anders dan dat de schrijver ervan Maria zelf, toen zij al op jaren was, heeft geraadpleegd bij zijn optekeningen.

Toen de engel Gabriël aan haar verscheen begroette hij haar met de woorden: “Wees gegroet, gij vol van genade, de Heer is met U.” Vervolgens, omdat Maria van de onverwachte verschijning en zijn woorden geschrokken was, hernam Gabriël: “Vrees niet, Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.” Daarna deelde hij haar mee dat zij een zoon ter wereld zou brengen die de Zoon van de Allerhoogste genoemd zou worden en aan wiens koningschap geen einde zou komen. Maria antwoordde hierop: “Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?” Gabriël verklaarde zich nader: “De Heilige Geest zal over U komen en de kracht van de Allerhoogste zal U overschaduwen.” Vervolgens vertelde hij haar dat haar nicht Elisabeth, die onvruchtbaar genoemd werd, al in de zesde maand was, “want voor God is niets onmogelijk.”

Maria sprak toen het belangrijkste dat zij ooit gezegd heeft en tegelijk het belangrijkste in de geschiedenis van de mensheid: “Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.”

Kort daarop vertrok zij om Elisabeth te bezoeken. Die begroette haar met de uitroep: “Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.” Deze woorden, tesamen met de begroeting van de engel Gabriël, vormen de eerste helft van het meest gebeden gebed, het Wees Gegroet, dat iedere katholiek duizenden malen heeft gezegd.

Maria vat dan als het ware al het voorafgaande samen in haar jubelende reactie, het Magnificat: “Mijn ziel prijst hoog de Heer en mijn geest jubelt over God die mijn heil is. Want Hij heeft neergezien op de geringheid van zijn dienstmaagd en, zie, vanaf nu prijzen alle geslachten mij zalig, omdat Hij die machtig is voor mij grote dingen heeft verricht en heilig is zijn Naam.”

Deze woorden vertolken wat Maria vervulde toen de boodschap van de engel tot haar was doorgedrongen. Zij maakte daarbij gebruik van overgeleverde teksten die haar als vrome vrouw ongetwijfeld bekend waren. Het Magnificat ontleent in het bijzonder veel aan de lofzang van Hannah, de moeder van Samuel, nadat zij na lange onvruchtbaarheid een zoon had gebaard (1 Samuel 2, 1-10). Dat is kenmerkend voor een gebedstraditie van de Kerk die teruggaat tot de tijden van het Oude Testament. Natuurlijk is er altijd ruimte voor een persoonlijk gebed, waarin ik mijzelf aan God presenteer, met mijn gedachten en gevoelens. Maar als wij gezamenlijk bidden bestaat er een voorkeur voor teksten die het verleden ons aanreikt, waarin wij ons als het ware aansluiten bij het gebed van vroegere generaties.

Het Magnificat toont zo ook zijn social dimensie: Maria spreekt voor de gehele Kerk, en zelfs voor de gehele schepping. De geniale Bach, die ook een feilloze religieuze intuitie had, heeft dit perfect aangevoeld. In zijn Magnificat (BWV 243) komt de inzet niet van een individuele vrouwenstem, wat men misschien zou verwachten, maar van een engelenkoor, direct gevolgd door een ander, en dan nog een. Het Magnificat van Maria weerklonk in de hemel, waar het wordt aangeheven door onafzienbare koren van engelen.

In het gebruik dat Maria maakte van teksten die zij zich herinnerde ontwaar ik ook haar wezenlijke nederigheid, zoals zij in de beginwoorden al sprak: “Hij heeft neergezien op de geringheid van zijn dienstmaagd.”

Het Magnificat is volledig verbonden met, en voortspruitend uit de gebeurtenis die er direct aan voorafging: het begin van Gods menswording en de Verlossing, openbaring van Gods barmhartigheid, maar ook van zijn nederigheid – Hij maakt de verwezenlijking van zijn aanbod afhankelijk van de instemming van de mens, in dit geval Maria, “zij die vol van Gods genade is”. Die instemming werd door Maria nadat zij de boodschap had begrepen onmiddellijk, van ganser harte, en met volle overgave gegeven. Dat alles komt tot uiting in de lofzang waarin zij spontaan uitbarst.

 

Mijn ziel prijst hoog de Heer en mijn geest jubelt over God die mijn heil is.

Want Hij heeft neergezien op de geringheid van zijn dienstmaagd en, zie, vanaf nu prijzen alle geslachten mij zalig, omdat Hij die machtig is voor mij grote dingen heeft verricht en heilig is zijn Naam.

Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht voor hen die Hem vrezen.

Hij heeft de kracht van zijn arm getoond, de trotsen van hart uiteengedreven

Heersers stoot Hij van hun troon, geringen verheft Hij.

Behoeftigen overlaadt Hij met weldaden en rijken zendt Hij heen met lege handen.

Hij heeft zijn dienaar Israël opgericht, zijn barmhartigheid indachtig.

Zoals Hij het onze vaderen had beloofd, Abraham en zijn nageslacht in eeuwigheid.